Vang spanning en emoties tijdig op
Emoties zoals boosheid, angst, schaamte en verdriet zijn normaal en horen bij het leven. Toch vinden veel mensen het moeilijk om die gevoelens op een veilige en constructieve manier te uiten.
Als begeleider kan je een belangrijke rol spelen in het herkennen, benoemen en begeleiden van deze emoties. Zo verminder je spanning, voorkom je escalatie en versterk je de veerkracht van de persoon én de groep.
Help emoties reguleren en behoeften uiten
Emoties willen gezien en gehoord worden. Achter elke emotie zit vaak een behoefte zoals: verbinding, rust, duidelijkheid of autonomie. Geef mensen de ruimte om hun gevoelens te uiten, zonder ze meteen te sussen of te corrigeren. Opgekropte emoties kunnen anders omslaan in agressie of extreem gedrag.
Een handig leidraad hierbij is het principe: eerst reguleren, dan relateren en dan redeneren. Als iemand ontregeld is, wil je als begeleider vaak te snel redeneren — je wil duidelijk maken dat bepaald gedrag niet past. Maar zolang de ander buiten zijn of haar 'raampje' functioneert, kan die hieraan geen gehoor geven. Help daarom eerst om de spanning te doen zakken, zodat de persoon weer binnen dat raampje functioneert. Dan pas kom je toe aan verbinding maken en uiteindelijk aan gesprek en inzicht.
Onthoud: Je kan een ander alleen maar terug in zijn of haar raampje krijgen als jijzelf een kalm brein hebt. 'Eerst reguleren' geldt dus ook voor jou.
Doe dat in vijf stappen:
- Blijf zelf kalm en help zo de ander om ook te ontspannen. Let op je eigen ademhaling, lichaamstaal en stemgebruik.
- Help vervolgens de ander om goed te ademen en tot rust te komen.
- Zet in op een rustgevende en veilige omgeving. Verminder omgevingsprikkels: haal omstaanders weg, wandel of ga samen naar een rustige plek of laat de ander kiezen waar die op dat moment wil zijn.
Neem elke vorm van zelfregulering serieus en ondersteun de ander daarin. Als de ander bijvoorbeeld zegt: ‘Laat me even razen’, 'Ik wil even bekomen’, ‘Laat me even met rust’ of ‘Dit zou mij nu helpen: ...’ . Ga daar dan ook zoveel mogelijk op in.
Geef de ander tijd en ruimte om terug te kunnen schakelen naar rust. Dat kan bv. door de persoon enkele minuten met rust te laten of door hem of haar de kans te geven om zich terug te trekken in een andere ruimte. Bied keuzes aan: even apart op een stoel gaan zitten, op de eigen kamer, een chillroom of comfortroom. Ook buiten in de (bewegings)tuin kan een goede optie zijn.
Je kan ook inzetten op rustgevende activiteiten en materialen: een bad of douche nemen, een gezichts- of oogmasker, snoezelen, relaxatieoefeningen, massage, haren kammen, schommelstoelen, verzwaarde dekens, prutsmateriaal of stressballen. Relaxerende aroma's en het spelen met geluid, licht en projecties kunnen ook een rustgevende sfeer creëren. Inspiratie vind je ook in de alternatievenbundel van Vilans
Heeft de persoon al een rust- of signaleringsplan? Overleg dan samen welke rustbrengers je inzet. Of vraag gewoon wat nu kan helpen en wat de persoon op dit moment nodig heeft.
Door de persoon zelf te laten kiezen, vergroot je de zelfregie en de kans dat die zijn of haar rust terugvindt.
Via betekenisvolle activiteiten kan je de spanning verder helpen reguleren en kan je voorzichtig aan contact maken met de ander, gaan relateren. Denk aan een één-op-één gesprekje, samen een rondje wandelen of samen sporten, samen een maaltijd bereiden, knutselen, zingen, dansen, muziek luisteren of maken. Zelfs (huis)dieren kunnen een groot verschil maken om iemand te kalmeren en te helpen relateren.
Tip: Bij het relateren benut je de hechtingsband die je hebt met de ander. Soms is die band zo gekwetst door vroegere ervaringen dat net de poging tot verbinding de trigger is. Probeer dan van op een afstand nabij te zijn. Activiteiten parallel doen, naast elkaar in plaats van tegenover elkaar, helpen om vertrouwen op te bouwen. Denk aan de afwas of een wandeling: het is veel makkelijker om moeilijke dingen te vertellen als je elkaar niet in de ogen hoeft te kijken.
Erken boosheid, verdriet of angst. En help de ander er bewust bij stil te staan en zo contact te maken met zichzelf. Doe dit door mee te voelen en er woorden aan te geven.
- Benoem de emotionele lading van de lichaamshouding, een gebaar en/of een uitspraak. Gebruik daarbij termen als "je lijkt verdrietig", "je klinkt boos" of "je ogen stralen van enthousiasme".
- Vermijd interpretatie of oordeel. Hanteer een vragende, of licht veronderstellende toon. Bijvoorbeeld: “Ik heb het gevoel dat…” of “Het lijkt voor mij wel of…”. Zo geef je de ander de kans om het gevoel te bevestigen of ontkrachten, zonder dat deze zich veroordeeld of aangevallen voelt.
- Luister, observeer en veer mee. Vraag eventueel "Waar zit die emotie in je lichaam? Waar voel je ze het hardst?" Dit helpt het gevoel behapbaar en hanteerbaar te houden.
Door de emoties van de ander te reflecteren of te spiegelen, leert deze de eigen emoties herkennen. Jouw spiegelende reacties hebben ook een geruststellend en regulerend effect op de ander. En zo leert die dat emoties niet noodzakelijk de overhand nemen en dat het mogelijk is om jezelf weer tot rust te brengen. Dit geeft veerkracht en flexibiliteit.
Stel je nieuwsgierig op naar de betekenis achter de emotie. Zo krijg je zicht op de kern en kan je de emotie constructief vertalen .
Stel vragen als:
- Wat maak je nu zo boos/bang/verdrietig?
- Wat precies raakt jou?
- Wat zit er onder het gevoel?
- Wat heb je nodig?
Mogelijks gaat het over:
- Een onvervulde behoefte: gebrek aan verbinding, erkenning, honger, bewegen, ruimte, uitdaging, inspraak, autonomie, activiteit, aandacht, voorspelbaarheid, eerlijkheid, echtheid...
- Een gemis aan (juiste) informatie.
- Opgestapelde spanning.
Eens iemand de eigen emoties erkent als belangrijke signaalgevers herkent die ook sneller de behoefte die erachter schuilt.
Vat samen en stimuleer de ander om iets te doen met wat die voelt. Zeg bijvoorbeeld ‘Je voelt je boos en hebt behoefte aan duidelijkheid.’ Begeleid het denkproces naar een concrete actie.
Vraag bijvoorbeeld ‘Is er iets dat jij hiermee wil doen? Wil je zelf een actie ondernemen? Heb je een verzoek naar mij of iemand anders?’
Overweeg bij het redeneren ook wat de ander al dan niet aankan. Niet elke zorggebruiker is gebaat bij diepe of complexe gesprekken. Pas je aanpak aan in functie van de persoon en het moment.
Vang spanning in de groep tijdig op
Sta regelmatig stil bij hoe het met de groep gaat en hoe de onderlinge relaties zijn. Zo voorkom je dat spanningen zich opstapelen. Creëer een forum waar iedereen vrijuit kan delen wat hem of haar bezighoudt.
Zet deze methodieken in om de groep te stimuleren om hun meningen en gedachten open te delen:
Of als je wil focussen op wat een bepaalde gebeurtenis of maatregel doet met de groep kan je vragen stellen als:
- Wat houdt je vandaag bezig?
- Wat heb jij vandaag nodig? Van wie?
- Wat raakt je of wat verwondert je?
- Wat was het eerste waar je vanochtend aan dacht toen je wakker werd?
Gebruik ondersteunend materiaal zoals Gevoelsmonsterkaartjes, GROK-kaartjes, of gevoelens- en behoeftekaarten om emoties te verwoorden.